DRUMSCHOOL

muziekgeschiedenis (klassiek)

De muziek zoals we die nu kennen is van nu, maar vroeger klonk de ‘populaire’ muziek heel anders! We gaan een rijd door de tijd maken… (voornaamste bron: wikipedia)

middeleeuwen (476-1400)

De belangrijkste ontwikkeling van de muziek in deze periode is de structurele ontwikkeling van de polyfonie (meerstemmigheid). Bij polyfone muziek klinken meerdere muzikale lijnen (allen met een eigen identiteit) tegelijkertijd; deze techniek wordt contrapunt genoemd (Latijn: punctus contra punctus – noot tegen noot). Ook werd geleidelijk een systeem van muzieknotatie ontwikkeld, waarbij uiteindelijk de noot op een balk met lijnen werd genoteerd. Wegens het ontstaan van de meerstemmigheid moest de tot dan toe gebruikte stemming van de toonladder worden aangepast. De antieke stemming, de z.g. stemming van Pythagoras, is gebaseerd op (het op elkaar stapelen van) reine kwinten. Omdat voor polyfone muziek de terts het belangrijkste interval is, moest de toonladder opnieuw worden geconstrueerd, ditmaal op basis van de consonantie van tertsen. Deze stemming wordt de middentoonstemming genoemd. Ze heeft natuurzuivere grote tertsen en maakt daardoor een harmonie en cadensen mogelijk, waarin de verschillende toonsoorten echter wel verschillen van klankkleur.
Guido van Arezzo
gregoriaans gezang
troubadour muziek
Guillaume de Machaut

renaissance (1400-1600)

Met de term renaissance (Frans voor: wedergeboorte, in het Italiaans: rinascimento) wordt een ontwikkeling in de kunsten en wetenschappen bedoeld waarin de klassieke oudheid steeds meer als voorbeeld werd gesteld. Deze ontwikkeling had als centrum Italië, waar ze in de 14e eeuw begon, en hing samen met het opkomen van handel en nijverheid, steden en de macht van de burgerij naast die van de adel en de geestelijkheid. In de muziek echter waren de belangrijkste en beroemdste componisten voornamelijk afkomstig uit de Nederlanden. Componisten en kunstenaars waren weliswaar nog steeds in dienst van de kerk of een adellijk hof, maar begonnen meer en meer naam voor zichzelf te maken. Muziektheoretici bleven, zoals in de middeleeuwen, de overgeleverde Oud-Griekse muziekprincipes als leidend voor de eigentijdse muziek beschouwen, hoewel de feitelijke opvattingen over juiste stijl en welluidendheid een grote ontwikkeling doormaakten.
Giovanni Pierluigi da Palestrina
Orlando di Lasso
Jan Pieterszoon Sweelinck

barok (1600-1750)

Geleidelijk aan maakte de stile antico, de universele polyfone stijl van de 16e eeuw met meestal gewijde muziek, plaats voor de stile moderno of nuove musiche, bedoeld voor seculier gebruik. De periode waarin voornamelijk barokmuziek werd gecomponeerd wordt geplaatst tussen circa 1600 (de opkomst van de monodie, onder andere door Monteverdi) en 1750, het sterfjaar van Johann Sebastian Bach. De barokmuziek kon in het bijzonder gedijen door de bloeiende muziekcultuur aan de diverse Europese vorstenhoven. Veel rijke hooggeplaatsten hadden musici/componisten in dienst en/of fungeerden als hun mecenas. Veel hoogtijdagen en festiviteiten werden opgeluisterd door speciaal voor die gelegenheid in opdracht gecomponeerde werken. Ook ten behoeve van kerkelijke erediensten werden in het tijdperk van de barok nieuwe muziekvormen ontwikkeld.
Claudio Monteverdi
Giacomo Carissimi
Jean-Baptiste Lully
Johann Sebastian Bach

classicisme (1750-1800)

Het classicisme is een periode in de muziekgeschiedenis van grofweg 1750 (de dood van Johann Sebastian Bach) tot 1827 waarin Ludwig van Beethoven overleed. De wortels van het classicisme liggen in de empfindsame stijl, de galante stijl en de Sturm und Drang-periode. Het classicisme rekent eigenlijk af met de barokperiode door afnemend gebruik van contrapuntische technieken, en door de opkomst van de homofone zetting, waarin een melodie voornamelijk door akkoorden wordt begeleid. De loutere uitdrukking van de melodie en het gebruik van de harmonie louter als ondersteuning van die uitdrukking (in plaats van een complex meerstemmig weefsel waarin harmonie veeleer het gevolg is van de samenklank van diverse stemmen) is kenmerkend voor het classicisme. Aan de periode van het classicisme ontleent de klassieke muziek haar naam. Binnen de muziekgeschiedenis is zij echter zeer kort, en omvat hoofdzakelijk de werken van Wolfgang Amadeus Mozart en Joseph Haydn (1e Weense School).Ook de werken van Ludwig van Beethoven worden hiertoe gerekend. Een van de belangrijkste vernieuwingen, oorspronkelijk afkomstig uit de zogenoemde Mannheimer Schule, is het integrale gebruik van tekens om de dynamiek te noteren (zoals p voor zacht en f voor luid). Voorts blijft de muziek hoofdzakelijk tonaal, maar kent een grote verandering: langzamerhand wordt het contrapunt vervangen door de harmonie en begint de pianoforte aan een sterke opmars. Ze maakt de weg vrij voor de triomftocht van de piano.
Wolfgang Amadeus Mozart
Joseph Haydn
Ludwig van Beethoven

romantiek (1800-1900)

De romantiek is een kunststroming uit de 19e eeuw. In de romantische periode van de klassieke muziek maken componisten steeds grotere composities met steeds meer noten en moeilijkere ritmes. Ze gebruiken veel en vreemde, niet eerder toegepaste muziekinstrumenten. Er is veel drama en emotie te horen. Alles draait om wat mensen voelen, fantasie en de natuur. Veelvuldig terugkerende thematiek omvat dan ook onder andere de verheerlijking van de liefde (zowel de ideale als onmogelijke), hang naar het nostalgisch verleden, hernieuwd enthousiasme voor de natuur, de dood en de spontane en subjectieve menselijke emoties als vreugde, verdriet, verwondering, angst, pijn en verlangen. Componisten zijn nu niet meer in dienst van de koning, de keizer of bij een kleinere hofhouding, ze moeten hun muziek dus zelf zien te verkopen aan de luisteraars. De muziekopleiding gebeurt niet meer aan de kerkscholen, maar aan conservatoria die worden betaald door de overheid. Musicus wordt een echt beroep. De muziek die tijdens de romantiek geschreven wordt, wordt ook steeds complexer. De tendens van deze ontwikkelingen in de 19e eeuw is afkomstig uit de vooruitgangsgedachte uit de Verlichting, en leidde tot steeds grotere werken, grotere orkesten, virtuozere speeltechnieken op verbeterde muziekinstrumenten en complexere harmonische ontwikkelingen. Door amateurmusici is die moeilijkere muziek niet echt goed meer te spelen en het virtuozendom gloreert. Daarom schrijven componisten daarnaast salonstukjes, de lichtere muziek. Voor de meeste componisten is dat geen serieus werk, zij willen liever ernstige muziek schrijven. Zo ontstaat er een verschil tussen ernstige en de lichte muziek.
Hector Berlioz
Johannes Brahms
Giuseppe Verdi
Richard Wagner

20e eeuw (1900-2000)

De Europese klassieke muziek van na 1900 heeft een wijde variatie, beginnend bij de late romantische stijl van Sergei Rachmaninoff, het impressionisme van Claude Debussy en Maurice Ravel, en vervolgd door het Neo-Classicisme van Igor Stravinsky tot aan het tegengestelde serialisme van Pierre Boulez, de minimale muziek van Steve Reich en Philip Glass, de Musique Concrète van Pierre Schaeffer, de microtonale muziek van Harry Partch en de aleatorische muziek van John Cage, de elektronische muziek van Karlheinz Stockhausen. Als algemene overeenkomst van al deze verschillende genres is het toenemende gebruik van dissonantie in de compositie. Om deze reden wordt de 20e eeuw soms ook wel de dissonante periode genoemd.
Claude Debussy
Igor Stravinsky
Steve Reich
Philip Glass
John Cage

eigentijdse klassieke muziek (1975-nu)

Eigentijdse klassieke muziek is klassieke muziek die gecomponeerd is na 1975. Deze periode wordt ook wel postmodern genoemd en heeft vaak overlap met andere eigentijdse kunstmuziek. Na het modernisme ontwikkelde de moderne klassieke muziek zich onder invloed van diverse muziekstijlen en werkmethoden.